Column uitgesproken tijdens debat ‘Cultuureducatie kan beter’, Lux Nijmegen, 16 mei 2007

De ideale situatie voor kennisoverdracht is een situatie waarin een geïnteresseerd publiek veel minder van het onderwerp weet dan degene die zich tot dat publiek richt. Lastiger is een situatie waarin er weliswaar een geïnteresseerd publiek is, maar de voorkennis van dat publiek dermate groot is, dat er niet veel kennis kan worden overgedragen. Problematisch is de situatie waarin een geïnteresseerd publiek merkt dat het zelf meer van het onderwerp weet dan degene die zich tot dat publiek richt. Dan verdwijnt de interesse uiteraard ogenblikkelijk.

Toch kiest men in de cultuureducatie nogal eens voor een van de laatste twee situaties, omdat dat zou ‘aansluiten bij de belevingswereld’ van ‘de’ jongere. Talrijk zijn de initiatieven waarin bijvoorbeeld ‘iets met rap’ wordt gedaan, omdat ‘de’ jongere die muziek al kent. Want ‘de’ jongere iets nieuws tonen, dat zou niet meer ‘werken’. Niet gehinderd door de voorkennis van het publiek, bedenkt men zo ‘leuke’ projecten, die binnen een organisatie algauw een eigen dynamiek krijgen en als zodanig het moment van inhoudelijke en didactische toetsing voorbij zijn.

Plaats van handeling is bij voorkeur een popcentrum, want de iPod-jongere mag dan zelf in het tijdperk van het digitaal reproduceerbare kunstwerk leven, hij moet en zal terug, naar de goeie ouwe tijd van de livemuziek. Wanneer de aandacht niet geestelijk kan worden vastgehouden, is er in de popzaal nog altijd een portier die fysiek weglopen weet te voorkomen.

Centraal staat het ‘zelf doen’, zoals het schrijven van een rap of het wagen van een dansje.
Tegelijkertijd leent een onderwerp als rap zich bij uitstek voor nieuwe perspectieven. Maar met reflectie daarop zou je ‘de’ jongere kunnen ‘kwijtraken’. Want de andere jongere, de jongere die geïnteresseerd is in hoe iets in elkaar zit en hoe iets werkt, die schijnt niet meer te worden gesignaleerd. En voor zover hij nog mocht bestaan, heeft hij eenvoudigweg vette pech. Pech, omdat de culturele bagage die hij van huis uit heeft meegekregen niet wezenlijk verschilt van dat wat de commercie nu op hem afvuurt. Pech, omdat het op toeval berust of hij überhaupt kunstvakken in het reguliere onderwijs krijgt. En pech, omdat indien daar wél kunstvakken worden gegeven, er eerder de persoonlijke smaak van de leraar, dan de inhoud van de kunsten wordt overgedragen.

De huidige focus op ‘ervaringskennis’ is een romantisch trekje, omdat theoretisch inzicht in bestaande kunst ondergeschikt wordt gemaakt aan het uiten van de individuele emotie in zelfgemaakte kunst. Maar zelfs de romanticus Robert Schumann zei het al: “Mijn grootmoeder heeft ook gevoelens, maar componeren kan ze niet.” Wanneer er niet is geleerd om verbanden, contexten en niveaus in te schatten, zal ervaringskennis zelden beklijven. Daardoor is de jongere die kunstjes moet doen uiteindelijk zijn eigen leraar, en weet hij achteraf dat de wereld niet veelzijdiger is dan hij vooraf dacht.

De componist Dick Raaijmakers, die ooit door Stanley Kubrick werd gevraagd om muziek voor 2001: A Space Odyssey te leveren, maar die liever met zijn leerlingen in het Koninklijk Conservatorium werkte, deed niet aan traditionele muziekanalyse. In plaats daarvan draaide Raaijmakers tijdens zijn lessen onbekende stukken actuele muziek, om op een zorgvuldig gekozen moment de band te stoppen en aan zijn leerlingen te vragen: “Wat zal er nu komen?” Door die omgekeerde wijze van lesgeven kregen leerlingen een onweerstaanbaar inzicht in een kunstzinnig scheppingsproces, dat een leven lang meegaat. Deze ogenschijnlijk eenvoudige lesmethode is geen trucje, maar een voorbeeld van een heldere vertaling van diep kunstzinnig inzicht in een didactisch mechanisme.

Zolang kunstonderwijs niet op gelijkwaardige wijze is verankerd in het reguliere onderwijsprogramma, zal buitenschoolse cultuureducatie niet dié uitwerking hebben, die zij in potentie bevat.

Erwin Roebroeks

© Erwin Roebroeks 2007

Helaas, het reactieformulier is op dit moment gesloten.